Als zweefvlieger leer je de gangbare luchtvaartterminologie gebruiken. Daarnaast kent het zweefvliegen zoals elke sport een aantal bijzondere termen en uitdrukkingen.

Aanvalshoek
De hoek die het vliegtuig, meer bepaald de lijn van de neus naar de staart, maakt met de vliegrichting. De aanvalshoek en de vliegsnelheid bepalen hoeveel lift, of draagkracht, de vleugels opwekken.

Afronden
Maneuver voor het maken van een zachte landing. Op ongeveer 1 meter boven de landingsbaan wordt overgegaan van een dalende vlucht naar een horizontale vlucht, waardoor de snelheid afneemt en het vliegtuig langzaam verder zakt zodat het op zachte wijze contact maakt met de grond.

B.O.
(uitgesproken als "béo") Een klein metalen karretje op 4 wieltjes, waarop een zweefvliegtuig met het hoofdwiel kan geplaatst worden, zodat het gemakkelijk in alle richtingen in de hangaar kan verplaatst worden. Oorspronkelijk verwees B.O. naar de metrolijn "Bourget - Opéra" die voor de oorlog door vele piloten in Parijs werd gebruikt.

Buitenlanding
Landing op een andere plaats dan het vliegveld door pech of onvoorzichtigheid of door het uitdoven van de thermieken. Een buitenlanding kan op een ander vliegveld dan dat van vertrek zijn, maar is vaker in een veld of soms in een weide. De zweefvlieger verwittigt dan de thuisbasis, waarna een ophaalploeg de piloot en het zweefvliegtuig komt oppikken. Een zweefvliegtuig kan gemakkelijk gedemonteerd worden, zodat het over de weg vervoerd kan worden in een daarvoor op maat gemaakte aanhangwagen.

Glijgetal
Het glijgetal van een zweefvliegtuig is de afgelegde afstand gedeeld door de hoogte die over die afstand verloren werd in een vrije zweefvlucht (zonder thermiek en zonder wind). Het glijgetal varieert met de vliegsnelheid. Elk zweefvliegtuig heeft een optimale snelheid waarbij het glijgetal maximaal is, dus waarbij met een gegeven hoogte een maximale afstand kan afgelegd worden. Dit is het beste glijgetal, vaak in het kort "glijgetal" genoemd. Soms wordt ook wel het Franse "finesse" gebruikt. Voorbeeld: een zweefvliegtuig met een beste glijgetal van 42, kan vertrekkend vanop 1000 m hoogte 42 km ver zweven.

Lokale kegel
Een denkbeeldige kegel in het luchtruim rond het lokale vliegveld. Een zweefvliegtuig bevindt zich binnen de lokale kegel als het voldoende hoogte heeft om vanaf zijn huidige positie in rechte lijn naar het vliegveld terug te zweven. De straal van de kegel op een gegeven hoogte is evenredig met het glijgetal van het zweefvliegtuig en wordt verder ook sterk beïnvloed door de windsterkte.
Bevindt het zweefvliegtuig zich buiten de lokale kegel, dan kan het niet meer terugkeren zonder eerst meer hoogte te winnen. De piloot zit dan, eventueel ongepland, in een overlandsituatie.

Overlandvlucht
Een vlucht waarbij de omgeving van het vliegveld verlaten wordt, meestal met als doel een bepaalde afstand (proef) af te leggen. Tegengestelde van "lokale vlucht". Ook: overlandvliegen.

Plank
"De plank" is het houten bord dat op het vliegveld gebruikt wordt door de "plankhouder" om de vluchtgegevens van elke vlucht te noteren. Op het einde van elke vliegdag worden de gegevens verwerkt en worden de kosten afgerekend. De vluchtgegevens worden nadien ook genoteerd in het persoonlijke logboek van de piloot en het logboek van het zweefvliegtuig. Er wordt een beurtrol gemaakt voor wie op welke vliegdag de taak van plankhouder uitoefent.