|
Bij zonnig weer verwarmen de zonnestralen de bodem en daarmee ook de onderste
luchtlagen.
De opwarmende lucht zet uit, wordt daardoor lichter dan de omgevende lucht en
heeft de neiging om te stijgen; het principe van een heteluchtballon.
Heeft er zich ergens boven de bodem genoeg warme lucht opgehoopt,
dan is de geringste verstoring voldoende om een enorme luchtmassa
in beweging te brengen. Dit is 's zomers vaak te merken aan een plots
opstekende windvlaag.
Binnen enkele minuten heeft zich een bel van opstijgende warme lucht gevormd,
een "thermiek" in het zweefvliegjargon.
Doordat met de hoogte de luchtdruk afneemt, zet een thermiekbel uit terwijl ze
stijgt en koelt hierbij af met 1°C per 100 m hoogtetoename.
De omgevingstemperatuur neemt evenwel ook af met de hoogte.
Zolang de thermiek warmer blijft dan de omgevende lucht, blijft ze stijgen.
Alles hangt er dus van af of de omgevingstemperatuur meer of minder
dan 1°C per 100 m afneemt, een respectievelijk onstabiele of stabiele
situatie.
Lucht kan maar een beperkte hoeveelheid waterdamp bevatten
en deze neemt af naarmate de lucht kouder is.
Wanneer vochtige lucht afkoelt, begint bij een bepaalde temperatuur het teveel
aan waterdamp te condenseren, er vormen zich minuscule waterdruppeltjes.
Wolken ontstaan dus wanneer lucht onder die temperatuur, het dauwpunt,
wordt afgekoeld.
In het geval van een thermiek ontstaat aldus op een bepaalde hoogte
een stapelwolk of 'cumulus' met de typische bloemkoolachtige vorm.
Het is duidelijk, zweefvliegers houden van cumuli, ze tonen hen waar
de thermiek zit die hen de nodige energie kan leveren om te klimmen en dan
verder te vliegen, naar de volgende wolk.
Naarmate de vochtigheidsgraad van de lucht lager is, moet de lucht meer afgekoeld
worden vooraleer het dauwpunt bereikt is. De wolkenbasis,
de hoogte waarop de cumuluswolken zich vormen, zal dan ook hoger liggen.
Dit is gunstig voor het zweefvliegen, want er kan tot grotere hoogte geklommen worden.
Bij heel droog weer kan het zijn dat de thermiek stopt voordat het dauwpunt bereikt is.
In dat geval worden er geen cumuli gevormd en men spreekt dan van droge thermiek of
in het zweefvliegjargon ook wel van 'blauwe thermiek'.
Thermiekbellen vormen zich meestal met tussenpozen, omdat het even duurt voordat de lucht
voldoende opgewarmd is.
Dit zorgt ervoor dat cumuli ontstaan, groeien en normaal terug verdwijnen door verdamping.
Echter, wanneer de lucht vochtig en zeer onstabiel is, kan de thermiek tot grote hoogte
blijven stijgen en groeit de wolk tot een zogenaamde 'cumulus congestus', die
kan overgaan in een onweerswolk of 'cumulonimbus'.
Door zware neerslag, sterke windstoten en verminderd zicht
vormen onweders een reëel gevaar voor vliegtuigen.
Het is voor de zweefvlieger belangrijk om het weer te leren begrijpen
en te leren inschatten welke veranderingen op til zijn.
Bijvoorbeeld om te kunnen zien of er al dan niet onweer dreigt.
Maar ook om een groeiende cumulus van een uitdovende cumulus te onderscheiden
of te zien waar onder de wolk precies het sterkste stijgen verwacht kan worden.
|